Florus W. van der Rhee, collega-predikant die ook twittert, schreef in het laatste Ambtelijk Contact een artikel over parttime predikantschap, dat gelukkig ook online te vinden is.

Ik ben blij dat er bezinning op het deeltijdpredikantschap plaatsvindt, want dat is broodnodig. Het verschijnsel is, althans binnen de CGK, vrij recent. Graag ga ik op het punt van Van der Rhee in, met de uitnodiging om te reageren.

Van der Rhee ziet vooral bezwaren bij het parttime predikantschap, al kan de afwisseling van taken volgens hem ook als boeiend worden ervaren. De bezwaren zijn vooral de extra werkdruk vanwege complexiteit, de problematische tijdsbesteding/-bewaking en financiële aspecten. Terecht legt Van der Rhee er de vinger bij dat de kerkenraad die overweegt een predikant in deeltijd te beroepen, ook mede verantwoording draagt voor het vinden van een invulling van de rest van de tijd.

Ik ga eens in op de drie punten van kritiek.

1. Werkdruk vanwege complexiteit. Van der Rhee stelt dat de dominee eigenlijk al een duizendpoot moet zijn, en dat een taak naast het predikantschap de werkdruk en complexiteit alleen maar opvoert. Hij noemt het voorbeeld van een predikant die voor 25% in het onderwijs werkt – maar wat als er op de ‘lesdag’ een begrafenis geleid moet worden?

Tot op zekere hoogte ben ik het hier wel mee eens. Het is lastig, en ik heb dat ook wel ondervonden. Toch is er ook een keerzijde: dit kan ook een aanleiding zijn om de prioriteiten nog eens goed te doordenken, en heldere keuzes te maken. Wanneer je goed prioriteert, en vooral goed weet waarom je bepaalde taken niet doet, kan dit juist een reductie van complexiteit opleveren. Concreet: doordat ik hier in Genemuiden in deeltijd ben, terwijl mijn voorgangers fulltime predikanten waren, hebben we het takenpakket kritisch tegen het licht gehouden en verschillende taken (rond kerkblad, bezoekwerk, website en dergelijke) bij mij vandaan gehaald.

Een voorwaarde om dit voordeel te bereiken is wel dat het andere werkveld  bij het predikantschap past. Docentschap aan een theologische opleiding is wat dat betreft echt nog wat anders dan lesgeven op een middelbare school, of nog weer andere taken.

2. Tijdbesteding. Van der Rhee wijst er op dat een beginnend predikant (en juist beginnende predikanten komen in deeltijdsituaties terecht) vaak nog moeilijk kan inschatten hoe veel tijd verschillende onderdelen van het werk kosten; vooral de preekvoorbereiding is moeilijk in de hand te houden. Bovendien betekenen twee werkkringen ook: twee keer de vergaderdruk en sociale verplichtingen er omheen. (Ter zijde: de berekening die Van der Rhee maakt over iemand die 10 uur in het onderwijs werkt, klopt niet: daar zit de lesvoorbereiding bij in). Dat is wel waar, maar goed aandachtsmanagement (betere term dan tijdsmanagement) maakt veel mogelijk. Persoonlijk heb ik veel gehad aan de principes van GTD, toen ik op bepaalde grenzen stuitte. Als je maar heldere keuzes maakt in wat je doet en wat je niet doet. Je moet ‘nee’ kunnen zeggen, anders komt het inderdaad met het parttime predikantschap niet goed. Maar laten we wel zijn: als je geen ‘nee’ kunt zeggen, komt het toch überhaupt niet in orde?

Van cruciaal belang lijkt mij een open relatie met de kerkenraad in kwestie, en een geregelde controle of het werk nog binnen de afgesproken kaders blijft. Een beginnend predikant zal, parttime of niet, tegen grenzen qua tijdbesteding oplopen.

3. Financieel. Van der Rhee wijst er op dat de baan naast het predikantschap mogelijk niet voldoende oplevert; de kostenvergoedingen voor het predikantschap worden mogelijk naar rato van het deeltijdpercentage uitgekeerd, terwijl de kosten wel voor 100% doorgaan. Het gedeeltelijk betalen van huur voor de pastorie hoort daar ook bij.

Volgens mij geldt weer het devies: openheid. Als deputaten financiële zaken in hun adviezen minimumtraktementen benoemen, lijkt het mij de verantwoordelijkheid van de kerkenraad om zich er van te verzekeren dat de deeltijdpredikant voor het totaal van zijn inkomen niet, of in ieder geval niet al te veel, onder dat minimum geraakt. En verder moeten die richtlijnen natuurlijk goed zijn.

Valt het dan allemaal wel mee en zijn de problemen te verwaarlozen? Dat zou ik niet willen zeggen. Ik noem er een aantal. Om te beginnen hebben we (behalve voor wat betreft preekbeurten per jaar) nooit vastgesteld wat het betekent om voltijds predikant te zijn. Dus weten we niet wat 30%, 50% of 70% betekent. Voor de preekvoorziening wordt het helder, maar voor andere taken is het lastig. Vervolgens is er nog geen bezinning op een boven- of ondergrens voor deeltijdpredikantschap. Volgens mij kun je niet in redelijkheid voor 25% van je tijd predikant zijn, en is een 85% predikantschap gewoon een voltijds dominee tegen lagere kosten. Ten derde liggen er tal van principiële vragen: heeft de gemeente die een dienaar van het Woord ontvangt, niet de verplichting om er voor te zorgen dat deze ‘zonder zorg van het evangelie leven’ kan, zoals de beroepsbrief vermeldt? Verzakelijken we het predikantschap niet langzamerhand? De bezinning moet hier nog beginnen, lijkt mij.

Laten we ook  nuchter zijn. Broeders in Oosten en Zuiden zijn geroepen om de gemeente te dienen als predikant náást hun gewone fulltime baan. Over uitdagingen qua werkdruk, tijdsbesteding en financiën gesproken!

Persoonlijk ben ik dankbaar voor de manier waarop ik gemeentepredikantschap, docentschap en het werk aan een proefschrift mag combineren. Het vraagt discipline, het vermogen om te plannen en te prioriteren. Maar in dat licht is het ook wel erg leerzaam, afwisselend en veelzijdig. Liefst zou ik alleen nog wat vaker in de eigen gemeente preken (nu ongeveer 60-65x per jaar). Bepaalde dingen heb ik wel tamelijk hardhandig moeten leren, met name het markeren van grenzen, ook van dingen die soms zó aantrekkelijk zijn!

Advertenties