Er is een (hoe noem je dat?) blogwisseling ontstaan tussen Florus W. van der Rhee en ondergetekende over de mogelijkheid en wenselijkheid van parttime predikantschap. Hier het vervolg. Eerder schreef Van der Rhee een artikel in Ambtelijk Contact, reageerde ik op dit blog, en nu heeft Van der Rhee een reactie daarop geplaatst. Graag ga ik er nog een keer op in; de zaak is het waard.

Eens

1. Allereerst noteer ik dat we het grotendeels eens zijn. Er is bezinning nodig op het parttime predikantschap, voordat het op allerlei plaatsen wordt uitgerold, want daar krijg je brokken van. Zolang niet duidelijk is wat 100% predikantschap inhoudt, blijft een deeltijdpercentage nietszeggend, behalve voor het aantal preekbeurten. Zegt Van der Rhee en zei ik ook in een eerdere bijdrage.

2. Het kan goed gaan, als predikant en kerkenraad beide zich daar voor inzetten. Van der Rhee heeft een positief beeld van hoe het hier in Genemuiden gaat; mooi. Maar hoewel hij zelf geen ervaringsdeskundige is, kent hij kennelijk wel situaties waarin het minder goed gaat. Dat signaal wil ik serieus nemen.

3. We moeten oppassen voor verzakelijking in de relatie kerkenraad-predikant. Ook daar ben ik het mee eens, hoewel ik er wel een kanttekening bij zou willen plaatsen. Ik ben het er mee eens dat een kerkenraad de verantwoordelijkheid draagt voor het levensonderhoud van de predikant, zodat deze ‘zonder zorg van het evangelie’ leven kan. Het wordt moeilijker, dat principe concreet te maken als het om een deeltijdpredikantschap gaat. Toch zou ik het graag willen vasthouden, net als Van der Rhee. Keerzijde daarvan is wel dat je primaire taak het predikantschap moet zijn. Net zo goed als een onachtzame houding van een kerkenraad met genoemde principe strijdt, geldt dat ook van een predikantschap van minder dan 50%. Keerzijde van dit principe is immers dat de predikant van het Evangelie moet leven.

Volgens mij kom je voordeeltijdpredikantschap dus ergens uit tussen 50 en 80%. Een hoger percentage betekent dat je al snel de facto voltijdpredikant bent, een lager percentage lijkt me principieel ongewenst.

Kanttekeningen

1. Toch een kanttekening bij de verzakelijking. Ik denk dat de kerken er óók bij gebaat zouden zijn als zakelijke dingen goed zakelijk geregeld worden. Waar aan de ene kant een verzakelijking dreigt, lijkt aan de andere kant het probleem dat er soms te weinig zakelijk wordt gekeken naar verantwoordelijkheden en dergelijke. Niet alleen door kerkenraden, maar ook door de predikant.

2. Dat brengt me bij een tweede: pro-activiteit. Van der Rhee zegt dat ik eigenlijk drie keer hetzelfde schrijf, namelijk: nadruk op de eigen verantwoordelijkheid. Ik denk dat het niet helemaal klopt en er meer nuance in zit, maar ik wil wel voor mijn rekening nemen dat een pro-actieve attitude (zo noem ik het liever) van de predikant wezenlijk is. De twee punten uit Van der Rhee’s bijdrage die ik nog niet heb besproken, komen hier in beeld: (a) meestal betreft het een kandidaat, en die is onwennig in een ‘onderhandeling’ met een kerkenraad; (b) kerkenraden weten vaak niet wat de predikant doet, welke uren hij maakt – stelden kerkenraden zich maar pro-actiever op.

Dit weblog is mede geboren vanuit de overtuiging dat het nodig is dat je voor wat de praktijk van het predikantswerk betreft, bij jezelf begint. Als predikant kan ik niet ‘maken’ dat de kerkenraad actief meedenkt. Maar ik kan wel al het mijne doen (informeren, vragen, ter discussie stellen) om een goed werkbare situatie te krijgen. Mijn indruk is dat dat nog te weinig gebeurt.

Dat ligt dan aan de kandidaat, die in deze dingen onwennig is. Dat is een terecht punt. En toch: is het dan niet zaak deze pro-actieve houding je snel eigen te maken? In het pastoraat en in kerkelijke vergaderingen kun je toch ook niet zonder? En als iemand in staat moet worden geacht het Woord te verkondigen en geestelijk leiding te geven aan de gemeente, zou hij dan in dit soort dingen niet mans genoeg zijn? Wijzen we niet te snel naar kerkenraad of gemeente? Het is moeilijk om hier in het algemeen iets over te zeggen, maar mijn indruk is dat af en toe eens in de spiegel kijken en je afvragen wat je zelf aan een moeilijke situatie gedaan hebt, goed kan zijn. Voor mij zijn dat soort momenten erg leerzaam, verootmoedigend en heilzaam geweest.

3. Ten slotte. Van der Rhee wijst er op dat je moeilijk van kerkenraden kunt verwachten dat ze in deze dingen alerter zijn. Wat mij betreft is het dan ook tijd voor een bredere bezinning op al de genoemde aspecten. Volgens mij zijn we het daar wel aardig over eens.

Advertenties