Pieter de Jong heeft een heel aardig boekje geschreven onder de titel “De eerste honderd dagen. Over leiderschap.”

“Niet zelden zijn de eerste honderd dagen beslissend voor het succes van een leidinggevende.” staat op de achterflap van dit boekje van slechts 65 pagina’s. Helaas zaten mijn eerste honderd dagen in mijn nieuwe gemeente er al op voordat ik dit boekje in handen kreeg. Hoe begin je als predikant? Hoe begin je in een nieuwe gemeente? Waar richt je je de eerste tijd op? Wat kom je tegen? Waar let je op? Welke ervaringen neem je mee? En hoe zorg je ervoor dat eerdere ervaringen je niet voor de voeten lopen?

Ook al gaat dit boekje niet uit van de context van de predikant het biedt wel veel materiaal voor een startende predikant of voor een predikant die op een nieuwe plek begint. Als predikant groei je niet naar een leidinggevende rol toe, die jas ligt gelijk om je schouders. Maar hoe je dat leidinggeven? Hoe doe je dat in een situatie die voor jou nieuw is, terwijl het voor de gemeente alleen nieuw is dat jij er bent?

Pieter de Jong helpt je in zijn boekje te reflecteren op je nieuwe situatie als leidinggevende. Bijvoorbeeld zijn advies aan pas benoemde directeuren: “Je hoeft je niet als directeur te bewijzen, je bent het.” Ofwel: maak je roeping als verbi divini minister eigen. Je hebt wat te zeggen, omdat je geroepen en gezonden bent.
Maar ook zijn waarschuwing je niet als one-trick-pony te gedragen. Als op het ene moment en in de ene gemeente iets ‘werkt’, helend, verhelderend of bevrijdend blijkt te zijn, dan betekent het niet automatisch dat dat op een ander moment of in een andere situatie ook zo is.

Het boekje biedt goede stukken gereedschap, die in alle rust en bescheidenheid gepresenteerd worden, waarbij je en passant de fijne kneepjes van het vak bijgebracht krijgt. Een prachtige illustratie van de stijl van Pieter de Jong vind ik het hoofdstukje “Tien vragen”. Aan het begin van het hoofdstukje lezen we deze zin: “De volgende tien vragen kunnen behulpzaam zijn voor je plan van aanpak.” Tien vragen die niet gepresenteerd worden als ‘dé tien vragen’, maar eenvoudig als tien vragen die behulpzaam kúnnen zijn. Vervolgens leer je in die tien vragen om heel scherp voor ogen te houden waar je je wèl en ook waar je je niet op gaat richten. “Een goede generaal opent niet twee fronten tegelijk.” Hoe herkenbaar om in de begintijd meer los te trekken dan je in het eerste jaar, of in de eerste jaren kunt behappen.

Kortom, voor mij een boekje waar ik af en toe in terugblader en wat zeker weer van de plank komt op het moment dat ik wel weer in een situatie zit waarin sprake is van “De eerste honderd dagen.”

Advertenties